Het begint zelden met een aanslag
Een btw-kwestie start bijna nooit met een naheffing in de bus. Meestal komt er eerst een vragenbrief: de inspecteur wil de facturen zien die bij een bepaalde aangifte horen, of vraagt waarom het aangegeven bedrag afwijkt van wat er uit de jaarrekening blijkt.
Die brief lijkt vriendelijk en wordt daarom vaak vlot beantwoord, met een korte uitleg en een stapel bijlagen. Dat is het moment waarop de zaak wordt gemaakt of verloren. Wat er in die eerste reactie staat, ligt namelijk vast en komt in elke volgende fase terug.
Vergissing of opzet, dat is de kernvraag
Het verschil tussen een correctie en een boete zit in de vraag of er sprake is van een fout of van bewuste onjuistheid. Bij een fout volgt een naheffing met belastingrente. Bij grove schuld of opzet komt daar een vergrijpboete bij, die kan oplopen tot een fors percentage van het nageheven bedrag.
De inspecteur moet die opzet aannemelijk maken, maar in de praktijk wordt hij daarbij geholpen door verklaringen die de ondernemer zelf heeft afgelegd. Een zin als dat het altijd zo is gegaan, klinkt onschuldig en wordt in het dossier gelezen als bewijs dat de handelwijze bekend en bewust was.
Daarom is het verstandig om bij een vragenbrief die richting boete of strafrecht kan opschuiven eerst te laten meekijken. Wat er bij dat soort trajecten komt kijken, is toegelicht bij Huygen Lammers Advocaten.
De klassieke struikelblokken
De verleggingsregeling bij onderaanneming in de bouw levert de meeste correcties op. Wordt de btw ten onrechte in rekening gebracht in plaats van verlegd, dan is die btw bij de afnemer niet aftrekbaar, ook al is hij wel betaald.
Intracommunautaire leveringen zijn de tweede. Het nultarief geldt alleen als aantoonbaar is dat de goederen het land uit zijn gegaan. Ontbreekt het vervoersbewijs, dan valt de levering terug naar het binnenlandse tarief en komt de rekening bij de leverancier te liggen.
De derde is het privegebruik: de auto van de zaak, de telefoon en de lunches. Klein bier per post, maar over vijf jaar opgeteld gaat het snel om bedragen die de moeite waard zijn om goed te onderbouwen.
Termijnen lopen door
Bezwaar maken moet binnen zes weken na dagtekening van de aanslag. Die termijn is hard: te laat is niet-ontvankelijk, ook als het inhoudelijke gelijk overduidelijk aan de kant van de ondernemer ligt.
Uitstel van betaling loopt daar los van en moet apart worden aangevraagd. Wie alleen bezwaar maakt en verder niets doet, kan tijdens de procedure alsnog met invordering te maken krijgen. Meer over de gang van zaken rond aanslagen en boetes staat op huygenlammersadvocaten.nl.
